Finale kwijting in een VSO: kan een werkgever later nog geld terugvorderen?

Een vaststellingsovereenkomst bevat vrijwel altijd een bepaling over finale kwijting. Werkgever en werknemer spreken daarmee af dat zij na uitvoering van de overeenkomst in beginsel niets meer van elkaar te vorderen hebben.
Maar wat gebeurt er wanneer een werkgever ná ondertekening ontdekt dat een werknemer tijdens het dienstverband mogelijk ongeoorloofde betalingen of andere financiële handelingen heeft verricht?
De Rechtbank Noord-Holland gaf daar op 9 september 2026 een interessante uitspraak over.
Finale kwijting is belangrijk, maar betekent niet automatisch dat iedere nog onbekende toekomstige vordering is uitgesloten.
Wat speelde er?
Een werknemer was sinds 2017 werkzaam als Office Manager. Het dienstverband eindigde per 1 januari 2025 door middel van een vaststellingsovereenkomst.
In deze overeenkomst was een zeer ruim geformuleerde finale kwijting opgenomen. Partijen verklaarden onder meer dat zij alle relevante onderwerpen rond het dienstverband en het einde daarvan hadden besproken en dat zij, behoudens de afspraken uit de overeenkomst, niets meer van elkaar te vorderen hadden.
Na het sluiten van de VSO stelde de werkgever echter verschillende financiële onregelmatigheden te hebben ontdekt. Het ging onder meer om salarisbetalingen, banktransacties, aankopen en andere betalingen.
Dekt finale kwijting ook onbekende vorderingen?
Dat was een van de belangrijkste vragen in deze procedure.
De kantonrechter benadrukt dat bij de uitleg van een finale kwijting moet worden gekeken naar wat partijen in de omstandigheden redelijkerwijs van de bepaling mochten verwachten.
Daarbij geldt een belangrijk uitgangspunt:
finale kwijting is niet zonder meer onbeperkt of alomvattend.
Hoewel de kwijtingsbepaling in deze VSO zeer ruim was geformuleerd, stond nergens expliciet dat ook afstand werd gedaan van vorderingen waarvan partijen bij het sluiten van de overeenkomst nog geen kennis hadden.
De rechtbank oordeelde daarom dat niet kon worden aangenomen dat de werkgever afstand had gedaan van rechten en vorderingen die ten tijde van het sluiten van de VSO nog onbekend waren .
Bekende omstandigheden kunnen wél onder de finale kwijting vallen
Voor één onderdeel liep het anders: de vermeende onterechte salarisverhogingen.
Het laatstverdiende salaris van de werknemer stond namelijk expliciet in de vaststellingsovereenkomst vermeld. De werkgever kende bovendien het oorspronkelijke salaris.
Volgens de rechtbank wist de werkgever dus dat het salaris tijdens het dienstverband was verhoogd, of had hij ervoor gekozen daar voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst geen nader onderzoek naar te doen.
De vordering tot terugbetaling van de vermeend onterechte salarisverhogingen viel daarom wél onder de finale kwijting.
Dat laat goed zien waarom de feitelijke omstandigheden bij het sluiten van een VSO zo belangrijk zijn.
Pas op met aanvullende afspraken na een VSO
De zaak bevat daarnaast nog een belangrijke les.
Nadat de werkgever de eerste vermeende onregelmatigheden had ontdekt, onderhandelden partijen opnieuw. Uiteindelijk werd afgesproken dat de eerder overeengekomen beëindigingsvergoeding zou worden verlaagd naar €2.000.
De werknemer accepteerde dat zonder aansprakelijkheid te erkennen en om een kostbare procedure te voorkomen.
Volgens de rechter hadden partijen daarmee een aanvullende regeling getroffen over de onderwerpen die op dat moment bekend waren.
De werkgever kon die onderwerpen vervolgens niet opnieuw in een procedure aan de werknemer tegenwerpen. Er was namelijk geen duidelijk voorbehoud gemaakt dat de werkgever ondanks de regeling later alsnog terugbetaling zou kunnen eisen.
Een aanvullende schikking kan dus net als een VSO definitief een streep onder bepaalde discussiepunten zetten.
Wie stelt dat een betaling terecht was, moet dat kunnen onderbouwen
Voor de overige transacties keek de rechtbank inhoudelijk naar de verschillende betalingen.
Daarbij werd duidelijk hoe belangrijk bewijs is.
De voormalige werknemer stelde bij verschillende transacties bijvoorbeeld dat:
betalingen in opdracht van de werkgever waren gedaan;
privé voorgeschoten zakelijke kosten werden terugbetaald;
bepaalde aankopen zakelijk waren;
contante terugbetalingen hadden plaatsgevonden.
Bij verschillende onderdelen kwalificeerde de rechtbank deze argumenten als zogenoemde bevrijdende verweren.
Wie erkent dat een betaling is ontvangen of verricht, maar stelt dat daarvoor een geldige reden bestond, zal dat in veel gevallen moeten kunnen onderbouwen.
Bankafschriften, facturen, e-mails, opdrachten en andere schriftelijke stukken kunnen dan doorslaggevend zijn.
In deze zaak ontbrak die onderbouwing bij verschillende posten, waardoor een aantal vorderingen van de werkgever alsnog werd toegewezen.
Van ruim €72.000 naar €10.955
De werkgever vorderde in totaal €72.849,83.
Uiteindelijk werd slechts €10.955,19 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.
Een groot gedeelte van de vordering strandde dus vanwege:
finale kwijting;
een later getroffen aanvullende regeling;
verjaring;
onvoldoende onderbouwing van de vordering door de werkgever;
of juist onvoldoende onderbouwing van het verweer door de werknemer.
De zaak laat daarmee zien dat een discussie over financiële onregelmatigheden na het einde van een dienstverband juridisch veel ingewikkelder kan zijn dan alleen de vraag: “Is het geld terecht betaald?”
Ook de waarheidsplicht speelde een rol
Opvallend is ten slotte dat de rechtbank kritisch was op de wijze waarop de werkgever de procedure had gevoerd.
In de dagvaarding en het eerdere beslagrekest was geen melding gemaakt van belangrijke correspondentie tussen partijen uit januari en februari 2025.
Juist die correspondentie bleek van groot belang voor de beoordeling van de zaak.
Volgens de kantonrechter was daarmee de waarheidsplicht uit artikel 21 Rv geschonden.
De rechtbank besloot mede daarom dat iedere partij haar eigen proceskosten moest dragen en wees ook de gevorderde beslagkosten af.
Wat betekent deze uitspraak voor werkgevers en werknemers?
Deze uitspraak maakt duidelijk dat bij het opstellen van een vaststellingsovereenkomst zorgvuldig moet worden nagedacht over de reikwijdte van finale kwijting.
Voor werkgevers is het verstandig om vóór ondertekening zoveel mogelijk duidelijkheid te verkrijgen over financiële afspraken, declaraties, salariscomponenten, bedrijfseigendommen en eventuele andere openstaande kwesties.
Zijn er op het moment van ondertekenen al twijfels of loopt er nog onderzoek? Dan kan het verstandig zijn om bepaalde onderwerpen expliciet van de finale kwijting uit te zonderen.
Voor werknemers geldt andersom dat een goed geformuleerde finale kwijting juist veel zekerheid kan bieden. Een werkgever kan niet zonder meer na beëindiging van het dienstverband oude, reeds bekende kwesties opnieuw ter discussie stellen.
Ook bij onderhandelingen ná het sluiten van een VSO is voorzichtigheid geboden. Een nieuwe regeling kan juridische gevolgen hebben die veel verder gaan dan alleen het bedrag waarover op dat moment wordt onderhandeld.
Vaststellingsovereenkomst laten controleren?
Een vaststellingsovereenkomst heeft vaak verstrekkende juridische gevolgen. Niet alleen de ontslagvergoeding en einddatum zijn van belang, maar ook bepalingen over finale kwijting, vakantiedagen, vrijstelling van werkzaamheden, concurrentiebedingen, bedrijfseigendommen en mogelijke toekomstige claims.
Van der Burg Juristen begeleidt zowel werknemers als werkgevers bij het beoordelen, opstellen en onderhandelen van vaststellingsovereenkomsten.
\
Wilt u weten welke gevolgen een VSO in uw situatie heeft of wilt u voorkomen dat na ondertekening alsnog discussie ontstaat?
Neem dan contact met ons op voor een juridische beoordeling.
Bron: Rechtbank Noord-Holland 9 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:11008.
_edited.png)



Opmerkingen